Prutsers zijn wij, maar aardige prutsers

Rites de passage

Kan je de manier waarop organisaties de corona-pandemie beleven gelijkstellen met een “rite de passage”, een overgangsritueel op weg naar volwassenheid ? Volgens sommige organisatiedeskundigen wel. Zij herkennen kenmerken die volgens antropologen bij elke overgangsritus horen :

  • Het vertrouwde wordt ontwricht. Een aantal zekerheden worden weggenomen. Wat je tot nog toe hebt gedaan werkt niet meer. Veel van wij wat een goed jaar geleden nog vanzelfsprekend vonden lijkt nu verder weg dan ooit.

  • Je wordt op de proef gesteld en je leeft in onzekerheid. Je moet je werk van thuis uit organiseren, digitale tools leren gebruiken en nieuwe manieren zoeken om contact te houden met collega’s.

  • Als je de ritus achter de rug hebt ben je veranderd. Je bent ‘volwassen’ of een ‘ingewijde’ en je wordt in een nieuwe kring opgenomen. Er wordt nu al voorspeld dat wij nooit meer zullen werken zoals vroeger. Organisaties zullen zich zelf moeten heruitvinden en zowel hun kantoorruimte als hun personeelsbeleid aanpassen.

Als je het zo bekijkt is deze pandemie inderdaad vergelijkbaar met de proeven die kinderen van stammen in het Braziliaanse regenwoud moeten ondergaan vooraleer ze als volwassen worden aanvaard.

Een onzekere overgang

Toch is er een verschil. Bij een overgangsrite weet je niet of je zal slagen maar je weet wel waarnaar je wil overgaan : je wordt volwassenen, je wordt geselecteerd voor een Olympisch team, je mag mee naar een bootcamp voor “high potentials”. Hoe de wereld er zal uitzien na covid-19, wat zal behouden blijven en wat zal veranderen, valt vandaag niet te voorspellen.

Dat is  redelijk vervelend. Van nature zijn wij geneigd  om alles te willen controleren en stap voor stap in de richting van een welbepaald doel te gaan.  De overgang van een oude naar een nieuwe situatie proberen we daarom zo veel mogelijk in te korten. Een veranderingstraject mag liefst niet te lang aanslepen want “onze klanten verwachten duidelijkheid.”  Een cultuuromslag verloopt liefst langs een op voorhand goed afgelijnd traject want “onze medewerkers zijn onzeker.”

Eén van onze problemen bij deze pandemie is die onzekerheid : zijn wij wel goed bezig ? Dat weten we (nog) niet.  Dus bekritiseren we de maatregelen (zij zijn te streng of te laks), de experts (zij komen te vaak in beeld en spreken mekaar voortdurend tegen), de politiek (zij luisteren te veel naar sommige experts of net te weinig) en de vaccins (waarvan er niet genoeg zijn en die onvoldoende bescherming bieden).

Het uur van de prutser

Wat ons kan troosten in situaties die, zoals een pandemie,  moeilijk onder controle zijn te krijgen, is het besef dat wij allemaal prutsers zijn. Wij knoeien er elke dag op los en we zouden ons wat vaker moeten verwonderen dat er ondanks alles niet nog veel meer fout loopt.

Zolang wij kunnen terugvallen op routine krijgen we de meeste dingen nog wel gedaan.  Bij onverwachte gebeurtenissen en zeker in tijden van crisis helpt die routine ons niet. Dan kunnen we alleen maar proberen te doen wat ons het beste lijkt. Soms valt dat mee en soms valt dat tegen. We kunnen dat onderbouwen met studies en cijfermateriaal maar in de praktijk nemen we veel minder beslissingen op rationele gronden dan we willen toegeven.</span

Organisaties beseffen dat we vaak alleen maar wat aanmodderen en om ons een hart onder de riem te stekken heffen zij de koorzang aan dat het niet erg is om fouten te maken, zolang je daar maar van leert. Ze menen dat niet echt. Probeer maar eens om, nadat je  een fout hebt gemaakt die serieuze gevolgen had, je vel te redden met te zeggen dat je hier heel veel uit hebt geleerd.

Een pleidooi voor mildheid

Wij willen helemaal geen fouten maken en als dat toch gebeurt geven we dat liefst niet toe, laat staan dat we daar veel uit zouden leren. Bedenk zelf maar hoe moeilijk is om openlijk te bekennen dat je iets fout hebt gedaan. Hoeveel successen hebben we trouwens te danken aan de “lessons learned” sessies na het afsluiten van een project ?

Als we nu eens zouden  beginnen met te erkennen dat wij allemaal stuntelen, weliswaar met de beste bedoelingen en in de hoop dat er uit ons gepruts iets moois voortkomt. Dat zou alvast tot meer mildheid leiden : ja er loopt veel verkeerd maar de meeste mensen doen wel hun best.

Is dat  een excuus om lekker stommiteiten te blijven begaan ? Natuurlijk niet. Je blijft immers verantwoordelijkheid voor je eigen daden en de impact die je daarmee hebt op anderen. Het is ook geen vrijbrief om de lat vooral niet te hoog te leggen, “zolang je maar je best doet”. Evenmin is het een reden om niet langer aan te klagen wat je fout ziet lopen of om niet meer proberen om daaraan iets te doen. Je kan scherp oordelen over resultaten en tegelijk mild oordelen over mensen.

Mildheid is het evenwicht tussen streng genoeg zijn en toch voldoende genegenheid tonen. Het is de ingesteldheid waarmee veel ouders hun kinderen opvoeden  in het besef dat zij ook maar proberen om daarmee het beste van te maken, of waarmee leerkrachten de levenslange waardering van hun leerlingen winnen.

Kees van Kooten heeft voor de mens het woord prutselaar” bedacht, een samentrekking van “prutser” en van “knutselaar”. We knutselen en we prutselen en zo houden we ons niet alleen overeind, af en toe komen uit dat gefrutsel en geknutsel de meest wonderbaarlijke dingen voort. Door jezelf een “prutser” te durven noemen geef je toe dat je een mens bent met een beperkt verstand en beperkte mogelijkheden. Pas als je je beperkingen mag erkennen kan je proberen om die te overstijgen.

Als we daarom na de pandemie allemaal wat meer mildheid aan de dag zullen leggen tegenover anderen en tegenover onszelf, dan was deze periode inderdaad een mooie "rite de passage".

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.